Gefuseerde partijen
Meer dan wellicht wordt gedacht zijn onze gevestigde partijen resultaat van fusies. Dat geldt voor GroenLinks, CDA, ChristenUnie, PvdA en in zekere zin ook voor de VVD.
Niet altijd lukte het partijen om te fuseren. De mislukking van de Progressieve Volkspartij (samengaan van PvdA, PPR en D66) in de jaren zeventig van de vorige eeuw is daarbij het meest sprekend.
Inhoudsopgave
In 1894 ontstonden na de Tweede Kamerverkiezingen twee antirevolutionaire fracties: onder leiding van A. Kuyper1 en van A.F. de Savornin Lohman2. Strijdpunten waren de kiesrechtuitbreiding en de mate waarin parlementariërs waren gebonden aan het partijprogramma. De 'Lohmannianen' vormden in 1898 een eigen partij, de Vrij-Antirevolutionaire Partij3. De partij noemde zich ook wel christelijk-historisch.
Een jaar eerder was in Utrecht de Christelijk-Historische Kiezersbond4 opgericht, onder leiding van ds. J.Th. de Visser5. Die Bond was sterk anti-Rooms en had nauwe banden met (een kleine) christelijke vakbond. In 1898 ontstond verder in Friesland een Bond van Kiesvereenigingen op Christelijk-historische grondslag6.
VAR en CH-Kiezersbond besloten in 1903 samen te gaan in de Christelijk-Historische Partij7. Die samenwerking was mogelijk, omdat de CH-Kiezersbond langzamerhand wat minder uitgesproken anti-Rooms was geworden en bereid was om samen te werken met de (rechtse) christelijke coalitie van katholieken en antirevolutionairen.
Nadat in 1908 ook de Friese CH zich aansloot bij deze fusiepartij, ontstond de Christelijk-Historische Unie. De Visser was spoedig de tweede man geworden naast De Savornin Lohman. De voormalige leider van de Friese CH, J. Schokking8, kreeg eveneens een vooraanstaande positie in de CHU.
In 1885 ontstond de eerste landelijke liberale 'partij' de Liberale Unie10. Dit was een verbond van liberale kiesverenigingen. Lang niet alle liberale Kamerleden behoorden daar overigens toe, maar de Unie zorgde wel voor grotere eenheid onder de liberalen. Die eenheid duurde tot 1894 toen de strijd over het kiesrecht uitmondde in vorming van twee liberale Kamerfracties. De leden van de conservatievere vleugel noemden zich oud-liberalen.
Nadat in 1901 de linkervleugel zich afsplitste (en samen met de Radicale Bond11 de Vrijzinnig-Democratische Bond12 vormde), bleef de Liberale Unie 'over' als liberale middenpartij. In 1906 verenigden de oud-liberalen zich in de Bond van Vrij-Liberalen13.
Invoering van de evenredige vertegenwoordiging mondde uit in sterke achteruitgang van zowel Unie-liberalen als Vrij-Liberalen in de Tweede Kamer. Bovendien waren inmiddels kleinere, meest op specifieke belangen gerichte partijen ontstaan, zoals de Neutrale Partij14 die zich sterk maakte voor de belangen van artiesten en muzikanten. In 1917 had oud-minister Treub15 bovendien de Economische Bond16 opgericht, als nieuwe liberale partij.
Om aan de verdeeldheid een einde te maken, werd vanaf 1918 gestreefd naar het samengaan van de diverse liberale partijen. Dat resulteerde in april 1921 in de oprichting van de Liberale Staatspartij 'de Vrijheidsbond'. Dit werd een overwegend conservatief-liberale partij. In de Tweede Kamerfractie zaten de eerste jaren steeds leden die afkomstig waren uit de belangrijkste 'voorgangers'. Zo was het Tweede Kamerlid Jo Westerman17 lid geweest van de Economische Bond.
Het succes van de Vrijheidsbond was beperkt want vanaf 1922 zag die zijn ledental in de Tweede Kamer alleen maar afnemen, om in 1937 nog slechts vier zetels over te houden.
Tijdens de bezetting, toen veel politici als gijzelaar waren geïnterneerd in Sint-Michielsgestel, ontstond het idee om na de bevrijding te komen tot een nieuwe partijformatie. Daarin moest een plaats zijn voor zowel confessionele als niet-confessionele progressieven. Direct na de bevrijding werd de Nederlandse Volksbeweging opgericht, die dit idee verder vorm moest geven.
In december 1945 kwam er echter een nieuwe katholieke partij (de Katholieke Volkspartij19). Veel katholieke NVB-leden traden toe tot die partij. Aan protestantse zijde keerden ook ARP en CHU terug.
Vanuit SDAP20 en VDB werden wel pogingen ondernomen om tot een nieuwe progressieve partij te komen. Dit resulteerde in februari 1946 in de oprichting van de Partij van de Arbeid21. Naast sociaaldemocraten en vrijzinnig-democraten traden ook enkele progressieve katholieken en protestanten toe, aangevuld met verschillende partijlozen. In de PvdA ging ook de sociaal-christelijke, pacifistische CDU22 op.
In de PvdA waren nog lange tijd de voormalige partijformaties 'zichtbaar', waardoor ook een zekere tegenstelling bleef bestaan tussen overwegend socialistische PvdA'ers en meer gematigde, vrijzinnig-democratische leden. De voormalige CDU had in Rintje van der Burg23 en Fedde Schurer24 lange tijd een 'eigen' vertegenwoordiger in de PvdA-Tweede Kamerfractie.
De PvdA haalde in 1952 voor het eerst het meeste aantal stemmen bij de verkiezingen. De beoogde 'doorbraak25' van bijvoorbeeld confessionele arbeiders bleef echter uit en de verzuiling bleef grotendeels bestaan.
Na de bevrijding keerde de Liberale Staatspartij niet terug, maar er werd - vooral onder impuls van enkele jonge liberalen, zoals Henk Korthals26 - een nieuwe partij opgericht: de Partij van de Vrijheid27. Voorman daarvan werd de ondernemer Dirk Stikker28. Hoewel de PvdV in 1946 meer zetels haalde dan de Staatspartij in 1937, was de partij toch niet een echt succes.
Enkele VDB'ers die waren toegetreden tot de PvdA voelden zich daar spoedig niet thuis. Dat gold met name voor P.J. Oud29. Hij vond dat de PvdA te socialistische was en hij kreeg bovendien geen plaats op de PvdA-kandidatenlijst voor de Eerste Kamer. Oud verliet de PvdA. Samen met Stikker richtte hij een comité op ter voorbereiding van een nieuwe liberale partij.
Dit mondde in januari 1948 uit in de oprichting van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie30, waarin plaats was voor zowel progressieve liberalen (voormalige vrijzinnig-democraten) als meer behoudende liberalen.
De VVD zou vanaf 1956 een zekere opmars maken, maar wist - na succesvolle verkiezingen in 1959 - pas echt grotere groepen kiezers aan te spreken onder Wiegel31 (1972 en 1977), Nijpels32 (1982) en Bolkestein33 (1994 en 1998). Veel meer dan haar vooroorlogse voorgangers is de VVD nu een brede volkspartij geworden.
Door de toenemende secularisatie in de jaren zestig werd de positie van de drie grotere confessionele partijen, KVP, ARP en CHU, steeds meer aangetast. Bovendien pasten in het nieuwe verenigde Europa drie afzonderlijke christelijke partijen minder goed. Er werden daarom voorzichtige pogingen ondernomen om tot samenwerking en zelfs een gezamenlijk verband te komen.
Na de verkiezingsnederlaag van KVP en CHU in 1967 kreeg dit streven een nieuwe impuls, dat uitmondde in een gezamenlijk optreden van drie fractievoorzitters in een uitzending voor politieke partijen. Zij bekeerden zich tot de gedachte 'samen uit, samen thuis'. Er werd een Groep van Achttien ingesteld die de samenwerking verder vorm moest gaan geven. Dit kreeg een vervolg in een Contactraad van KVP, ARP en CHU en een programmacommissie. Grote stimulator daarvan was prof. Piet Steenkamp34, een KVP-senator.
In juni 1973 werd als federatief verband van de drie partijen het Christen Democratisch Appèl35 opgericht, met Steenkamp als voorzitter. De zware verkiezingsnederlaag van KVP en CHU in november 1972 had de urgentie om tot één christendemocratische partij te komen alleen maar doen toenemen.
Met name in de top van de ARP waren er aarzelingen. Sommigen, onder wie ARP-fractievoorzitter Wim Aantjes36, vreesden dat het CDA een te weinig progressief karakter zou krijgen en dat de grondslag te vaag zou worden. Die vrees leidde bij de KVP in 1975 zelfs tot het aftreden van partijvoorzitter Dick de Zeeuw37 en het uittreden van een klein aantal kaderleden.
De wens om tot een gezamenlijke partij te komen, werd echter vooral vanuit de basis sterk gesteund. Op lokaal niveau kreeg die samenwerking een impuls omdat de drie partijen vaak met één lijst kwamen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Hetzelfde gebeurde in 1974 bij de Statenverkiezingen. De fracties in de Tweede en Eerste Kamer besloten inmiddels ook om geregeld gezamenlijk te gaan vergaderen (hoewel KVP en ARP regeringsfracties waren en de CHU in de oppositie zat).
Nadat er overeenstemming was over het Evangelie als richtsnoer van politiek handelen, kreeg het fusieproces een verdere impuls. In 1976 werd besloten met één kandidatenlijst te komen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1977. De katholieke minister van Justitie Dries van Agt38, die ook bij de protestantse achterban populair was, werd aangewezen als de eerste CDA-lijsttrekker.
Het fusieproces werd op 11 oktober 1980 voltooid door tekening van de oprichtingsakte van het CDA, dat nu een partij werd. KVP, ARP en CHU hieven zichzelf op. De 'bloedgroepen' (KVP, ARP, CHU en rechtstreekse CDA-leden) speelden nog geruime tijd een rol in het CDA. Zo werd in de tijd dat Ruud Lubbers39 (ex-KVP) premier was het fractievoorzitterschap vervuld door Bert de Vries40 (ex-ARP).
De vorming van het CDA en de populariteit van Van Agt wisten de neerwaartse gang van de christendemocraten in 1977 tot staan te brengen. Het leiderschap van Lubbers zorgde in 1986 en 1989 zelfs voor een enorme opleving.
Ter linkerzijde waren in de loop der jaren enkele kleinere partijen ontstaan. In 1957 was de Pacifistisch-Socialistische Partij41 opgericht, die zich met name keerde tegen (kern)bewapening. In 1968 vormden progressieve katholieken en protestanten, die KVP en ARP de rug hadden toegekeerd, de Politieke Partij Radikalen42. Begin jaren tachtig leidde onvrede over de koers van het CDA tot oprichting van de Evangelische Volkspartij43.
Daarnaast bestond er al sinds 1909 een communistische partij. De CPN44 was voor andere partijen tot de jaren zestig te zeer met het Oostblok verweven, wat een samenwerking in de weg stond. Door de ontspanning in de verhouding tussen 'Oost ' en 'West' veranderde dat geleidelijk. Binnen de CPN kregen bovendien nieuwe groepen (vrouwen, studenten) een belangrijke plaats, waardoor ook de koers van de partij enigszins wijzigde.
De PPR werkte tussen 1971 en 1977 nauw samen met de PvdA (en D66). Zij kwamen met een gezamenlijk verkiezingsprogramma en presenteerden in 1971 een alternatief kabinet. In 1977 eindigde die samenwerking echter, mede omdat de PPR bij de verkiezingen van 1977 sterk verloor. Ook CPN en PSP behaalden na 1981 steeds nog slechts enkele zetels. De EVP kwam in 1982 in de Tweede Kamer, maar verdween daar in 1986 weer uit.
Om hun gezamenlijke positie te versterken, werd daarom gestreefd naar samenwerking die uiteindelijk zou kunnen uitmonden in fusie. Dat zou overigens niet zonder slag of stoot gaan. In de PPR voelden gematigde leden meer voor samenwerking met de PvdA. Enkelen van hen, zoals Erik Jurgens45 en Ad Melkert46, verlieten de partij en traden toe tot de PvdA.
In de PSP leefde de vrees dat een nieuwe partij te weinig socialistisch zou zijn. Bij de verkiezing van een nieuwe lijsttrekker in 1986 ontstond een conflict, waarna een kleine groep onder leiding van Fred van der Spek47 zich afscheidde. De meerderheid van de PSP wilde de blokkade om tot samenwerking (en fusie) met de andere kleine linkse partijen te komen juist wegnemen. Ook in de CPN waren er bezwaren tegen het opgeven van het oude gedachtegoed. De CPN verloor in 1986 al haar Kamerzetels en dat deed de noodzaak om tot een nieuwe partij te komen, nog toenemen.
Inmiddels was naast de drie partijen GroenLinks opgericht, waarvan een (rechtstreeks) lidmaatschap mogelijk was. In 1989 kwamen de vier partijen met een gezamenlijke kandidatenlijst en werd aan de verkiezingen deelgenomen onder de naam 'GroenLinks'. In 1990 besloten PSP, PPR, CPN en EVP tot een fusie, die op 24 november 1990 zijn beslag kreeg. De 'oude' partijen besloten in 1991 zichzelf op te heffen.
GroenLinks behaalde in 1998 onder Paul Rosenmöller met elf zetels een goed resulaat en in 2017 werden er onder aanvoering van Jesse Klaver zelfs veertien gehaald. In 2010 en 2017 was de partij betrokken bij formaties, maar tot kabinetsdeelname kwam het niet.
Sinds 1963 was in de Tweede Kamer het Gereformeerd Politiek Verbond48 vertegenwoordigd. Dit was een partij die haar aanhang vrijwel uitsluitend vond bij de vrijgemaakt-gereformeerden. Oprichting van het GPV in 1948 was een direct gevolg van de eerdere kerksplitsing. Het GPV was een getuigende, tamelijk behoudende partij. In de Kamer zaten soms twee GPV'ers, maar verdere groeimogelijkheden waren er nauwelijks.
In 1975 werd uit onvrede over de koers van met name de ARP de Reformatorische Politieke Federatie49 opgericht. Ook dit was een vooral getuigende, vrij behoudende christelijke partij. De RPF kreeg in 1981 voor het eerst (twee) Kamerzetels. In 1994 werd dat aantal uitgebreid naar drie.
In de Kamers bleken de standpunten van GPV en RPF vaak overeen te komen. Bij sommige verkiezingen, zoals de Europese verkiezingen van 1986 kwamen beide partijen al met een gezamenlijke lijst. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1989 gingen GPV en RPF een lijstverbinding aan en vanaf 1999 gingen de beide fracties in de Kamers gezamenlijk vergaderen.
In 2000 besloten de partijen samen te gaan onder de naam ChristenUnie. Dit kreeg per 1 januari 2004 definitief zijn beslag toen de partijen fuseerden. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 was er voor het eerst een gezamenlijke kandidatenlijst. Toen de ChristenUnie in 2006 voor het eerst bewindslieden leverde, waren dat de ex-RPF'ers André Rouvoet50 en Tineke Huizinga51 en de ex-GPV'er Eimert van Middelkoop52.
Die regeringsdeelname kan worden gezien als het directe succes van de fusie. De ChristenUnie is met een sociaal en 'groen' profiel steeds meer een 'bedreiging' voor de positie van het CDA.
Meer over
- 1.'Abraham de geweldige'. De grote voorman en stichter van de Anti-Revolutionaire Partij, de partij van de 'kleine luyden'. Krachtig organisator en goed spreker. Stichtte ook het dagblad De Standaard, de Vrije Universiteit en de Gereformeerde Kerk, nadat hij een afscheidingsbeweging (Doleantie) had geleid. Was predikant en werd in 1874 Tweede Kamerlid, maar verliet de Kamer al na drie jaar. Keerde in 1894 echter terug en werd voorzitter van de meer democratische antirevolutionairen. Leidde in 1901-1905 een coalitiekabinet, dat vooral in de herinnering bleef voortleven door het de kop in drukken van de Spoorwegstaking in 1903 en door de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904. Kwam in 1908 in conflict met Heemskerk en in 1909 in opspraak door de zgn. lintjesaffaire, maar werd desondanks tot zijn dood door zijn achterban als de door God gegeven leider beschouwd.
- 2.Protestants politicus; voorman van de christelijk-historischen. Aristocratische, maar ook temperamentvolle Groninger die driftig kon reageren en zich soms zeer scherp uitliet tegen politieke tegenstanders. Stond echter wel open voor argumenten van anderen. Had een sterk juridische inslag bij de benadering van vraagstukken. Werd in 1879 Tweede Kamerlid voor de antirevolutionairen en bleef dat tot 1921 (onderbroken door een kort ministerschap in het kabinet-Mackay en enige jaren in de Eerste Kamer). Brak samen met Kuyper met de Hervormde Kerk, maar keerde zich later af van de antirevolutionaire voorman. Van 1884 tot een conflict in 1896 hoogleraar aan de VU. Voor- en nadien rechter. Als vooraanstaand, invloedrijk staatsman was hij tot op hoge leeftijd één van de belangrijkste adviseurs van koningin Wilhelmina.
- 3.De Vrij-Antirevolutioniare Partij (VAR) werd in september 1898 opgericht. De VAR streefde naar handhaving en uitvoering van de antirevolutionaire of christelijk-historische beginselen. Zij had een overwegend conservatief en anti-Rooms karakter. Kiesrechtuitbreiding en verregaande bemoeienis van de overheid op sociaal-economisch gebied werden afgewezen.
- 4.De Christelijk-Historische Kiezersbond werd in november 1896 in Utrecht opgericht. Zij gold min of meer als voortzetting van de conservatieve Nationale Partij, die sinds 1888 bestond, maar die nooit vertegenwoordigers in het parlement had. De Bond zette zich, net als de Nationale Partij, af tegen de ARP, vanwege het gereformeerde karakter van die partij en vanwege het politieke verbond van de ARP met de Katholieken. De Christelijk-Historische Kiezersbond had een sterk Nederlands Hervormd karakter en was anti-Rooms.
- 5.Hervormd predikant en vooraanstaand CHU-politicus. Tegenstander van de doleantie en wars van scherpslijperij. Kwam in 1897 voor de kleine Christelijk-Historische Kiezersbond in de Tweede Kamer. In 1918 de eerste minister van Onderwijs in de twintigste eeuw. Voltooide met zijn Lager-Onderwijswet de onderwijspacificatie. Bracht ook andere belangrijke wetgeving tot stand, zoals de Nijverheids-onderwijswet. Keerde na zijn ministerschap in 1925 terug in de Kamer als fractievoorzitter van de CHU. Raakte in onmin met zijn partijgenoten nadat hij in 1926 (tevergeefs) een compromis had gezocht voor het gezantschap bij de Paus, en in 1929 omdat hij niet accepteerde dat niet hij maar zijn opvolger advies uitbracht bij de kabinetsformatie. Sociaal voelend en algemeen geacht staatsman. Begenadigd en veelgevraagd feest- en kanselredenaar.
- 6.De Bond van Kiesvereenigingen op Christelijk-Historischen grondslag in de provincie Friesland (kortweg: Friese Bond) werd op 24 maart 1898 in Leeuwarden opgericht. De christelijke partij (bond) legde sterke nadruk op het protestantse karakter van de natie en wees een 'neutrale' staat af.
- 7.De CHP was een christelijke partij die in april 1903 ontstond door een fusie van de Vrij-Antirevolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Kiezersbond. De partij legde nadruk op het protestantse karakter van Nederland en op de noodzaak van het behoud daarvan.
- 8.Christelijk-historische politicus en minister, afkomstig uit de kring van de Friese christelijk-historischen. Hervormd predikant in Friesland en later in Dordrecht en Leiden. Kwam in 1901 voor het district Harlingen in de Tweede Kamer en bleef lid tot 1909. Keerde in 1918 terug in het parlement en werd fractievoorzitter als opvolger van Lohman. Was vaak weinig doortastend. In 1920-1925 was hij gedeputeerde van Zuid-Holland en in 1925 minister van Justitie in het kortstondige kabinet-Colijn I. Keerde in 1926 opnieuw terug als Kamerlid en fractievoorzitter en werd in 1927 tevens burgemeester van Katwijk. Besloot zijn loopbaan als staatsraad. In zijn spreektrant was steeds de dominee te herkennen.
- 9.De CHU was een christendemocratische politieke partij, die vooral aanhang had onder Nederlands-Hervormden. De CHU kende een los partijverband en daarom was er sprake van een unie. De CHU ontstond in 1908 door samengaan van de Christelijk-Historische Partij en de Friese Bond van christelijk-historischen. In 1980 fuseerde de CHU met ARP en KVP tot het CDA.
- 10.De Liberale Unie werd in 1885 opgericht. In de unie werden de liberale kiesverenigingen verenigd. Zij gold als gematigd vooruitstrevend, zeker nadat de conservatieve vleugel zich rond 1894 had afgescheiden. Tussen 1891 en 1901 domineerde zij de Nederlands politiek. Vooral het Unie-liberale kabinet-Pierson wist belangrijke (sociale) wetgeving tot stand te brengen, zoals de Ongevallenwet en de Woningwet.
- 11.De Radicale Bond was een vooruitstrevend liberale partij. Zij werd in november 1892 opgericht. De Bond was op het gebied van het kiesrecht en de sociale kwestie vooruitstrevender dan de Liberale Unie. In 1901 ging de Radicale Bond met de van de Liberale Unie afgescheiden linkervleugel op in de Vrijzinnig-Democratische Bond.
- 12.De Vrijzinnig-Democratische Bond VDB was een links-liberale partij, die in 1901 werd opgericht. In zekere zin is zij als voorloper van D66 te beschouwen. De partij werd gevormd door van de Liberale Unie afgescheiden leden en door voormalige Radicale Bonders. Richtte zich onder meer op internationale ontwapening, emancipatie van de vrouw en invoering van een staatspensioen.
- 13.Op 23 juni 1906 werd de Bond van Vrije Liberalen opgericht, hoewel er al sinds het einde van de jaren 1870 sprake was van oud-liberalen, later aangeduid als vrije liberalen. De conservatieve oud- of vrije liberalen stonden tegenover de gematigd vooruitstrevende Liberale Unie. Zij hielden grotendeels vast aan het negentiende-eeuwse economische liberalisme (laissez faire).
- 14.Deze partij, die op 14 februari 1918 werd opgericht, kwam op voor kunstenaars en voor mensen werkzaam in het amusementsbedrijf. Zij was dus een typische belangenpartij. Alle andere vraagstukken moesten worden behandeld overeenkomstig het 'algemeen staatsbelang', zonder dat partijpolitiek daarbij een rol speelde.
- 15.Vooraanstaand liberaal politicus uit het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw. Hoogleraar economie in Amsterdam. Behoorde aanvankelijk tot de Radicalen en werd in 1904 Tweede Kamerlid voor de VDB, waarmee hij later echter brak. In 1913 minister in het kabinet-Cort van der Linden. Bezat uitstekende organisatorische kwaliteiten en zorgde tijdens de Eerste Wereldoorlog voor een voortvarend financieel-economisch beleid. Trad in 1916 af vanwege een conflict over het staatspensioen, maar keerde in 1917 weer terug. Werd in 1918 Tweede Kamerlid voor de Economische Bond, een liberale partij die een 'zakelijke' politiek voor stond. Voerde toen een sterk persoonlijke getinte verkiezingscampagne. Was nogal onberekenbaar; productief in denkbeelden, maar weinig resultaatgericht.
- 16.De Economische Bond werd op 15 december 1917 opgericht als liberale partij. Zij beoogde de sinds het eind van de 19e eeuw bestaande verdeeldheid bij de liberalen op te heffen. Er bestonden namelijk drie liberale partijen: de Liberale Unie, de Bond van Vrije-Liberalen en de links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond. Haar streven werd in 1921 deels verwezenlijkt door oprichting van de Vrijheidsbond.
- 17.Meisjesschooldirectrice, die in 1921 als tweede vrouw in de Tweede Kamer kwam. Zette zich in voor vrouwenemancipatie en het openbaar onderwijs. Voorbeelden daarvan waren het mede door haar ingediende amendement over de benoembaarheid van vrouwen tot burgemeester of gemeentesecretaris en een initiatiefwetsoorstel over Frans op de lagere school. Beminnelijke dame die goed stond aangeschreven bij haar mannelijke collega's en bij de parlementaire pers. Als onderwijsdeskundige alom gerespecteerd. In Den Haag is een school naar haar vernoemd.
- 18.De Liberale Staatspartij ontstond in 1921 toen Liberale Unie, de Bond van Vrije Liberalen en enkele kleinere liberale partijen samengingen. Sinds 1921 was de LSP in de Tweede Kamer vertegenwoordigd en vanaf 1922 in de Eerste Kamer. Tot februari 1938 voerde de partij als naam 'De Vrijheidsbond'. In 1946 ging de LSP op in de Partij van de Vrijheid. Daaruit ontstond in 1948 de VVD.
- 19.De KVP was een christendemocratische partij, die, hoewel zij voor iedereen openstond, vrijwel uitsluitend aanhang had onder de katholieken. De partij was in 1945 de opvolger van de vooroorlogse RKSP. In 1980 fuseerde zij met ARP en CHU tot het CDA. De KVP had met name in sommige streken (Limburg, Noord-Brabant, delen van Gelderland, Twente) een sterke machtspositie.
- 20.De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was een sociaaldemocratische partij, die lange tijd tevens republikeins en antimilitaristisch was. De SDAP werd in 1894 opgericht en kan als opvolger van de revolutionair-socialistische SDB (Socialistenbond) worden beschouwd. De partij was onderdeel van de socialistische zuil en nauw verbonden met organisaties als het NVV, dagblad Het Volk, de Arbeiderspers en de VARA. In 1946 ging de SDAP met VDB en CDU op in de PvdA.
- 21.De Partij van de Arbeid (PvdA) is een progressieve, sociaaldemocratische partij. De partij werd opgericht in 1946 als een voortzetting van de vooroorlogse Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en de Christelijk-Democratische Unie (CDU). De PvdA trok samen met GroenLinks op en deed met een gezamenlijke lijst mee aan de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2023. Frans Timmermans leidt de gezamenlijke fractie in de Tweede Kamer.
- 22.De CDU was een protestants-christelijke, antimilitaristische partij. De partij ontstond in 1926 uit drie kleine christen-socialistische partijen. Na de Tweede Wereldoorlog ging de CDU op in de Partij van de Arbeid.
- 23.PvdA-Tweede Kamerlid uit de kring van christensocialisten. Geboren in een eenvoudig Fries boerengezin, maar zelf werkzaam in Gouda als typograaf. Was daar ook raadslid. Werd in november 1945 als vertegenwoordiger van de protestantse CDU benoemd in het nood-parlement en 'brak door' naar de PvdA. Was eerder actief in de Christelijk-Sociale Partij, de Protestantse Volkspartij, bij de geheelonthoudersbond en in de christelijke vakbeweging. Vooral deskundig op het gebied van de volkshuisvesting. Matig spreker, maar een goed organisator.
- 24.In de Kamer de spreekbuis van een kleine pacifistische minderheid in de PvdA. Belangrijke Friese dichter van vroom gereformeerden huize, die in 1929 als onderwijzer aan een christelijke school in Lemmer werd ontslagen omdat zijn antimilitaristische opvattingen onbijbels zouden zijn. Sloot zich aan bij de CDU en werd onderwijzer aan een openbare school in Amsterdam. Onderging de invloed van Karl Barth en J.J. Buskes en werd in 1938 lid van de SDAP. Na de oorlog als hoofdredacteur van de Friese Koerier tegelijk politicus en taalkunstenaar. Militant strijder voor het gebruik van Fries in onderwijs en rechtsverkeer. Een principiële man die van nature koos voor de onderliggende partij.
- 25.Na de Tweede Wereldoorlog streefden progressieven naar een zogenaamde 'doorbraak': niet langer moest het 'geloof' bepalend zijn voor de politieke keuze. Progressieve katholieken en protestanten dienden zich aan te sluiten bij sociaaldemocraten en vrijzinnig-democraten in één progressieve partij.
- 26.Vooraanstaand naoorlogs liberaal politicus, tweede man van de VVD-fractie. Afkomstig uit de journalistiek. Was als Tweede Kamerlid actief op het gebied van de europese samenwerking, economische zaken en defensie, en maakte deel uit van de enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945. Europeaan in hart en nieren en lid van het Europees Parlement. Vicepremier en minister van Verkeer en Waterstaat in het kabinet-De Quay. Stimuleerde in een tijd van welvaartsgroei sterk de aanleg van wegen. Werd door Oud als zijn opvolger gezien, maar trok zich in 1963 terug, omdat hij de confrontatie met partijgenoot-senator Van Riel vreesde. Deftige, integere politicus, die duidelijk tot de vooruitstrevende vleugel van zijn partij behoorde en die uit was op consensus.
- 27.De PvdV ontstond op 23 maart 1946 als voortzetting van de vooroorlogse Liberale Staatspartij (LSP). De oprichters wilden wel dat de nieuwe partij een vooruitstrevender koers zou volgen dan haar voorganger. In 1948 kwam er al weer een einde aan het bestaan van de PvdV, toen zij met leden van het Comité-Oud (vrijzinnig-democraten die uit de Partij van de Arbeid waren getreden) opging in de VVD.
- 28.Liberale naoorlogse voorman met een nuchtere, zakelijke inslag. Zoon van een Groningse herenboer. Begon als bankier en was later directeur van bierbrouwerij Heineken. Legde als organisator van de Stichting van de Arbeid tijdens de Tweede Wereldoorlog de basis voor de naoorlogse overlegeconomie. In 1946 medeoprichter van de Partij van de Vrijheid en in 1948 van de VVD. Werd in dat jaar als minister van Buitenlandse Zaken opgenomen in het kabinet-Drees I. Tijdens zijn ministerschap werd de NAVO opgericht en de aanzet gegeven voor Europese samenwerking. Hijzelf was vooral atlanticus en tegenstander van Europees federalisme. Kwam in 1951 in conflict met partijleider Oud over Nieuw-Guinea. Na zijn vertrek uit de politiek ambassadeur en daarna secretaris-generaal van de NAVO. Stond bekend als tamelijk ijdel.
- 29.Staatsman, geschiedschrijver, staatsrechtgeleerde en voorman van de VDB en de VVD. Begon zijn loopbaan als kandidaat-notaris en belastingontvanger en was al op jonge leeftijd een vooraanstaand en veelzijdig Tweede Kamerlid. Trad in 1933 met Marchant toe tot het crisiskabinet-Colijn en voerde als minister van Financiën een strak bezuinigingsbeleid. In 1938 burgemeester van Rotterdam (tot 1952). Na de oorlog korte tijd lid van de PvdA, maar voelde zich daarin toch niet thuis en richtte met Stikker in 1948 de VVD op. Werd daarvan de onbetwiste politieke leider. Sprak met een wat hoge, zachte stem, maar had in de Kamer veel gezag door zijn kennis van het staats- en parlementsrecht. Kon overigens ook vilein uit de hoek komen en gold als autoritair. Schreef standaardwerken over de parlementaire geschiedenis.
- 30.De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) is een rechtse liberale partij, met op onder meer ethisch gebied progressievere standpunten. Politiek leider is sinds 14 augustus 2023 Dilan Yesilgöz-Zegerius. De partij werd opgericht in 1948 als opvolger van de Partij van de Vrijheid (PvdV), die weer een voortzetting was van de vooroorlogse Liberale Staatspartij (LSP).
- 31.Voorman en prominent lid van de VVD. Bevorderde in de periode 1971-1982 als (jeugdig) partijleider door een op de middengroepen en geschoolde arbeiders gerichte koers de groei van zijn partij. Zette zich sterk af tegen het kabinet-Den Uyl. Uitstekend debater en raspoliticus die optimaal gebruikmaakte van de media. Kon het goed vinden met CDA-leider Van Agt en werd in diens kabinet in 1977 vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken. Werd in 1982 Commissaris van de Koningin in Friesland, maar bleef lang een vooraanstaande rol in zijn partij spelen. Stapte later over naar de organisatie van zorgverzekeraars en werd senator. Zijn tegenstem in de Eerste Kamer tegen het correctief referendum veroorzaakte in 1999 een korte kabinetscrisis. Hoffelijke man, die feitelijk vrij verlegen is en een afkeer heeft van scherpslijperij. Geniet graag van een goed glas en goede maaltijd.
- 32.VVD-politicus uit Bergen op Zoom, die een turbulente politieke loopbaan kende. Werd in 1982 door Wiegel als 32-jarige naar voren geschoven als zijn opvolger na nog slechts vijf jaar Kamerlid te zijn geweest. Behaalde vervolgens in 1982 een uitstekend verkiezingsresultaat, hetgeen resulteerde in de vorming van het kabinet-Lubbers/Van Aardenne. Bedenker van het strategisch monisme, waarbij de band tussen fractie en ministers heel hecht was. Kreeg tijdens die kabinetsperiode te maken met diverse affaires en werd na de nederlaag van 1986 als leider vervangen. Werd in het tweede kabinet-Lubbers wel minister van VROM en kreeg in die functie waardering voor zijn milieubeleid. Nadien bleef hij bestuurlijk actief onder meer als burgemeester van Breda, Commissaris van de Koningin in Friesland en bestuursvoorzitter van het ABP. Is als SER-lid hoofd uitvoering energieakkoord.
- 33.Succesvolle en erudiete VVD-politicus, die zijn partij in 1994 en 1998 naar verkiezingsoverwinningen leidde. Afkomstig uit het bedrijfsleven (Shell) en uit hoofde van zijn functies lange tijd in het buitenland verblijvend. Was staatssecretaris van buitenlandse handel in het eerste kabinet-Lubbers en daarna een vooraanstaand VVD-Kamerlid. Volgde in 1988 Van Eekelen op als minister van Defensie en werd in 1990 politiek leider van de VVD, als tussentijdse opvolger van Voorhoeve. Bleef daarna, net als Romme (KVP) in de jaren vijftig, buiten het kabinet. Wist als geen ander het publieke debat te stimuleren door pittige uitspraken en plaatste het thema 'integratie' blijvend op de politieke agenda. In 1999-2004 Europees Commissaris voor de interne markt. Was daarna bijzonder hoogleraar in Delft en Leiden.
- 34.Katholieke hoogleraar en 'geestelijke vader' van het CDA. Leidde met groot enthousiasme en vasthoudendheid de federatie van KVP, ARP en CHU en het fusieproces van die drie partijen, dat in 1980 uitmondde in het CDA. Was aanvankelijk ondernemer in de conservenindustrie en daarna hoogleraar sociaal recht in Eindhoven. Leidde ook een pastoraal concilie over vernieuwing van de Nederlandse katholieke kerk. Stond enige jaren bekend als 'Rooie Piet', maar was wel de architect van het centrumrechtse kabinet-Biesheuvel. Politieke peetvader van Dries van Agt. Als Eerste Kamervoorzitter leidde hij de vergaderingen met kenmerkende roomse blijmoedigheid. Na zijn afscheid als Kamervoorzitter nog acht jaar 'gewoon' senator. Samenbindende figuur die overeenkomstig de leer van Thomas van Aquino inzet voor de publieke zaak als opdracht zag.
- 35.Het Christen-Democratisch Appèl (CDA) is een christelijk geïnspireerde partij in het centrum van het politieke spectrum. Henri Bontenbal is momenteel politiek leider van het CDA. De partij werd opgericht op 11 oktober 1980 als fusie van Anti-Revolutionaire Partij (ARP), Christelijk-Historische Unie (CHU) en Katholieke Volkspartij (KVP).
- 36.Bevlogen christendemocratisch politicus. Was afkomstig uit een hervormd-gereformeerd milieu uit de Alblasserwaard en behoorde aanvankelijk tot de rechtervleugel van de ARP. Als voorman van de bouwondernemers woordvoerder volkshuisvesting en daarnaast woordvoerder PTT-zaken. Werd in 1971 na de vorming van het kabinet-Biesheuvel fractievoorzitter, maar schoof op naar links en bevorderde de komst van het kabinet-Den Uyl. Stond aarzelend tegenover de vorming van het CDA, omdat hij vreesde dat de (progressieve) evangelische grondslag niet verzekerd was. Behoorde als fractieleider ten tijde van het eerste kabinet-Van Agt tot de loyalisten. Trad af als Kamerlid vanwege onthullingen over zijn oorlogsverleden. Werd later grotendeels gerehabiliteerd toen erkend werd dat zijn versie van dat verleden juist was geweest.
- 37.Bevlogen, idealistische christen-humanist. Wetenschapper en progressief politicus, die probeerde de verbinding tussen politiek en wetenschap tot stand te brengen. In Wageningen directeur van het Instituut voor toepassing van atoomenergie in de landbouw. In 1970 KVP-Eerste Kamerlid en een jaar later voorzitter van die partij als opvolger van Van der Stee. Wilde van de KVP een open partij maken die naast het evangelie ook andere inspiratiebronnen zou erkennen en dus niet langer exclusief christelijk zou zijn. Hetzelfde streefde hij na in het fusieproces naar het CDA. Gevestigde krachten in KVP, ARP en CHU verhinderden dit, waarna hij aftrad als voorzitter. Na een mislukte poging om als groep Resoluut-De Zeeuw een nieuwe partij te stichten, trad hij toe tot de PvdA, waarin hij echter nooit een rol van betekenis heeft gespeeld.
- 38.CDA-voorman, jurist en premier van KVP-huize. Stond als hoogleraar strafrecht bekend als vernieuwingsgezind en bracht als minister van Justitie belangrijke wetten tot stand. Vicepremier in het kabinet-Den Uyl. Kwam in de kabinetten-Biesheuvel en -Den Uyl diverse malen in politieke problemen, onder meer door discussies over de vrijlating van de Drie van Breda, de abortuskwestie en de affaire-Menten. Werd in 1977 de eerste leider van het CDA en was daarna vijf jaar premier. Was toen de politieke tegenvoeter van PvdA-leider Den Uyl; even populair bij zijn achterban als verguisd door zijn tegenstanders. Stapte na de verkiezingen van 1982 op als politiek leider. Nadien Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant en EG-ambassadeur. Relativeerde de politiek en zichzelf, maar was tactisch sterk. Formuleerde zorgvuldig en viel op door zijn kleurrijke en soms archaïsche taalgebruik.
- 39.Christendemocraat die twaalf jaar minister-president was. Werd in 1973 als jonge ondernemer minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl. Na zijn ministerschap en een jaar 'gewoon' Kamerlid voorzitter van de CDA-fractie. Was vier jaar steunpilaar van het kabinet-Van Agt/Wiegel. Na het mislukte kabinet-Van Agt/Den Uyl werd hij in 1982 premier en CDA-leider. Voerde in kabinetten met de VVD een 'no-nonsense'-beleid dat zorgde voor economisch herstel en vermindering van de staatsschuld. Leidde het CDA in 1986 naar verkiezingswinst en wist die in 1989 te consolideren. Werd daarna premier van een kabinet met de PvdA. Een meester in het vinden van compromisteksten, die vaak tot stand kwamen op zijn werkkamer, het torentje. Na zijn premierschap ontging hem het voorzitterschap van de Europese Commissie en de functie secretaris-generaal van de NAVO. Werd later wel onverwacht Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, maar trad in 2005 voortijdig terug. Harde werker, manager.
- 40.Groningse antirevolutionair die al na vier jaar Tweede Kamerlidmaatschap voorzitter werd van de toen grootste regeringsfractie, het CDA. Werkte voor hij in 1978 sociaal-economisch fractiewoordvoerder werd bij Philips en de Erasmus Universiteit. Wist als fractieleider tijdens de kabinetten-Lubbers I en II zijn grote fractie bijeen te houden onder meer door dissidenten geen ruimte te geven. Speelde in het derde kabinet-Lubbers als minister van Sociale Zaken een belangrijke rol bij het voorkomen van conflicten over onder andere de WAO-problematiek. Nadien parttime hoogleraar en voorzitter van de Sociale Verzekeringsbank en het ABP. Ook enige tijd waarnemend partijvoorzitter. In zijn partij typisch een man van het midden. Had vanwege zijn saaie imago als bijnaam 'de Stofjas'.
- 41.De Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), opgericht in 1957, was een pacifistische partij, die tevens streefde naar hervorming van de maatschappij in socialistische zin. In 1990 fuseerde de partij met PPR, CPN en EVP tot GroenLinks.
- 42.De Politieke Partij Radikalen (PPR) was een radicaal-christelijke partij. De partij werd op 27 april 1968 opgericht door christenradicalen die zich hadden afgesplitst van vooral de Katholieke Volkspartij (KVP) en in mindere mate de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). In 1991 fuseerde de PPR met CPN, EVP en PSP tot GroenLinks.
- 43.De EVP was een progressief-christelijke partij. De partij werd opgericht in maart 1981 als fusie van de Evangelische Progressieve Volkspartij (EPV) en een deel van de werkgroep Niet bij Brood Alleen (NBBA) van het CDA. In maart 1991 hief de partij zich op om op te gaan in een progressieve partij zonder christelijk signatuur, GroenLinks.
- 44.De Communistische Partij van Nederland (CPN) was een communistische partij die na de Tweede Wereldoorlog veertig jaar lang (tot 1986) met een Eerste Kamerfractie en Tweede Kamerfractie vertegenwoordigd was in de Staten-Generaal. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in de periode 1946-1986 schommelde het zetelaantal van de CPN tussen de 2 en 10. De partij maakte altijd deel uit van de oppositie. Hoewel de CPN geen eigen jongerenorganisatie kende, was het Algemeen Nederlands Jeugdverbond (ANJV) politiek gezien nauw verbonden aan de CPN.
- 45.Erudiete telg uit katholieke Unileverfamilie. Aanvankelijk actief op de linkervleugel van de KVP in Amsterdam en in 1968 medeoprichter van de PPR, voor welke partij hij in 1972-1975 Tweede Kamerlid was. Vanaf 1975 tien jaar voorzitter van de NOS en vervolgens hoogleraar staatsrecht en parlementsrecht. Stapte later over naar de PvdA en werd ook voor die partij Tweede Kamerlid en vervolgens een vooraanstaand lid (en ondervoorzitter) van de Eerste Kamer. Hoffelijke politicus die betrokken was bij uiteenlopende culturele en maatschappelijke activiteiten. Gezaghebbend woordvoerder staatsrecht, mediarecht en Europese samenwerking en als lid van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa actief verdediger van burgerlijke vrijheden. Bediende zich in debatten graag van Latijnse zegswijzen.
- 46.Gewiekste en ambitieuze PvdA-politicus die in 2002 Wim Kok opvolgde als partijleider, maar direct na de verkiezingsnederlaag aftrad. Aanvankelijk actief in de PPR en begin jaren tachtig secretaris van een jeugdforum. Stapte in 1982 over naar de PvdA en kwam voor die partij in 1986 in de Tweede Kamer. Spoedig een vooraanstaand lid en vanaf 1989 financieel woordvoerder. Kruiste in het eerste kabinet-Kok als minister van Sociale Zaken regelmatig de degens met minister van Financiën Zalm. Als fractievoorzitter hield hij strak de hand aan de fractiediscipline. Had het imago van carrièrepoliticus en bond daardoor moeilijk kiezers aan zich. Bète noire voor de aanhangers van Fortuyn. Na zijn vertrek uit de Haagse politiek werkzaam bij de Wereldbank, vicepresident van het Ontwikkelingsprogramma van de VN en in 2009-2011 VN-gezant voor Irak. Maakte in 2016-2022 deel uit van de Afdeling advisering van de Raad van State.
- 47.Erudiet, spreekvaardig en principieel PSP-Kamerlid. Was door zijn belezenheid een geducht opponent van diverse ministers van Buitenlandse Zaken (met name van Luns en Van der Klaauw). Fel bestrijder van onder meer de Amerikaanse strijd in Zuid-Oost-Azië, het Portugese kolonialisme, de Indonesische bezetting van Oost-Timor en de NAVO. Zag het Kamerlidmaatschap vooral als een mogelijkheid om buitenparlementaire actie te ondersteunen, maar nam ook veel deel aan Kamerdebatten. Vanaf 1978 fractievoorzitter. Kwam in 1986 in conflict met Andree van Es over de koers van de PSP en richtte een nieuwe partij op, die echter niet wist door te dringen tot de Tweede Kamer. Voor zijn Kamerlidmaatschap werkte hij in het onderwijs als scheikundeleraar.
- 48.Het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) was een in 1948 gevormde protestants-christelijke partij, die zich baseerde op bijbelse normen. De partij was sterk verbonden met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
- 49.De RPF was een protestants-christelijke partij die in 1975 ontstond en sinds januari 2000 samenwerkte met het GPV onder de naam ChristenUnie. Op 15 mei 2002 heeft de RPF ook niet meer zelfstandig aan de Tweede Kamerverkiezingen deelgenomen.
- 50.Voorman van de ChristenUnie, die zijn partij in 2007 in het kabinet-Balkenende IV tot regeringsdeelname bracht. Hijzelf was in dat kabinet minister voor Jeugd en Gezin en viceminister-president. Maakte zich sterk voor betere toegankelijkheid van gezinsondersteuning. Werd in november 2002 als jonge jurist politiek leider van zijn partij, na in 1994 voor de RPF Tweede Kamerlid te zijn geworden. Verwierf snel gezag als goed debater en vanwege zijn dossierkennis. Hij was voordien vijf jaar directeur van de Marnix van Sint Aldegonde Stichting, het wetenschappelijk bureau van de RPF. In 2010 was hij tevens acht maanden minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In april 2011 verliet hij de politiek om voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland te worden.
- 51.Tineke Huizinga (1960) is sinds 11 juni 2019 lid van ChristenUnie-fractie in de Eerste Kamer en sinds 6 april 2021 fractievoorzitter. In de periode 2002-2007 was zij Tweede Kamerlid. Was toen lid van de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica. Was daarna staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in het vierde kabinet-Balkenende en na het uittreden van de PvdA-bewindsliden in 2010 acht maanden minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In 2015-2018 was zij directeur van de Stichting "Wilde Ganzen". Eerder was zij gemeenteraadslid in Heerenveen. Als Eerste Kamerlid houdt mevrouw Huizinga zich bezig met Europese zaken, buitenlands beleid en defensie en immigratie en asiel.
- 52.Gedegen en gerespecteerd lid van de Tweede Kamerfracties van GPV en ChristenUnie, die na vier jaar Eerste Kamerlidmaatschap minister van Defensie werd in het kabinet-Balkenende IV. Had het in die laatste functie veel moeilijker, onder andere vanwege de discussies rond de vredesmissie in Afghanistan. Zijn politieke loopbaan begon hij als medewerker van de Tweede Kamerfractie van het GPV, waarna hij in 1989 zelf Kamerlid werd. Hield zich met uiteenlopende onderwerpen bezig. Leidde in 1995-1996 het parlementaire onderzoek naar klimaatverandering. Daarnaast was hij nauw betrokken bij de parlementaire nasleep van het Srebrenicadrama en het vastleggen van betrokkenheid van de Tweede Kamer bij militaire missies. Na het uittreden van de PvdA-ministers was hij in 2010 acht maanden tevens minister voor Wonen, Wijken en Integratie.
- 53.Een politieke partij is een groep van politieke geestverwanten. Politieke partijen streven vaak meer dan één doel na, zoals bevordering van werkgelegenheid, een eerlijke inkomensverdeling, een schoon milieu of het bestrijden van criminaliteit. Omdat niet iedereen deze doelen op dezelfde wijze nastreeft, zijn er meer partijen ontstaan.