Toelichting bij COM(2023)273 - Wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel



Dit voorstel betreft een wijziging van Richtlijn 2005/35/EG 1 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties voor verontreinigingsdelicten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG 2 .

Het beleid ter voorkoming van verontreiniging door schepen is tussen 2000 en 2009 ontwikkeld naar aanleiding van twee zware ongevallen op zee met de schepen Erika en Prestige, waarbij heel wat olie is gelekt 3 . Richtlijn 2005/35/EG (hierna de “richtlijn verontreiniging” of “richtlijn”) regelt sancties voor illegale lozingen van olie en schadelijke vloeistoffen vanaf schepen in zee. Niet alle scheepsafval hoeft in havens te worden afgeleverd. Soms mag het in zee worden geloosd. Een illegale lozing is een lozing vanaf een schip die niet voldoet aan de desbetreffende regels van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), d.w.z. de normen van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol 73/78).

De hoofddoelstelling van deze richtlijn is die internationale normen op te nemen in het EU-recht en te waarborgen dat degenen die verantwoordelijk zijn voor illegale lozingen van verontreinigende stoffen op afschrikkende, doeltreffende en evenredige wijze worden gestraft om de veiligheid van de zeevaart te verbeteren en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen.

De richtlijn voorziet in een handhavingssysteem waarbij de lidstaten toezicht en verificatie uitoefenen zodat degenen die inbreuken begaan worden gestraft. Het proces is drieledig: ten eerste detecteren bewakingsinstrumenten een mogelijke lozing van een schip; ten tweede beslist de bevoegde autoriteit of er een boot of vliegtuig wordt ingezet om ter plaatse te controleren of de verontreiniging kan worden bevestigd; ten derde wordt bewijsmateriaal verzameld en, als de dader wordt geïdentificeerd, worden sancties opgelegd. De sancties voor verontreinigingsdelicten door schepen komen voort uit het internationaal recht. In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) is onder meer bepaald dat een staat sancties kan opleggen voor verontreiniging door een buitenlands schip in geval van grote schade voor de kuststaat of als de betrokken vlaggenstaat herhaaldelijk zijn handhavingsverplichtingen niet is nagekomen. De vlaggenstaten van de EU moeten overeenkomstig het Unclos ook sancties opleggen aan hun schepen als die binnen of buiten de EU op illegale wijze verontreinigende stoffen in zee lozen.

De Europese Green Deal bevestigt de ambitie van de Commissie om haar bevolking te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten en zo het pad te effenen naar een gezonde planeet voor iedereen. Dit voorstel is een van de initiatieven van de EU om de verontreiniging van de zee door het maritiem vervoer te beperken en is in overeenstemming met de strategie voor slimme en duurzame mobiliteit 4 en het actieplan om alle verontreiniging tot nul terug te dringen 5 .

De Commissie heeft in 2022 een eerste ex-postevaluatie van de richtlijn uitgevoerd en vastgesteld dat die met succes heeft bijgedragen tot de opname van internationale regels voor verontreiniging vanaf schepen in de wetgeving van de lidstaten en dat ze de opsporing van verontreiniging door schepen heeft verbeterd. De richtlijn heeft meer bepaald de aanzet gegeven tot de oprichting van CleanSeaNet, een dienst van de EU voor de monitoring van olielekkages en de opsporing van schepen met satellieten, die wordt beheerd door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA).

In de evaluatie werden echter ook een aantal tekortkomingen gesignaleerd: 1) het huidige toepassingsgebied van de richtlijn dekt niet alle verontreinigende stoffen van de internationale regeling, zoals het lozen van vuilnis of afvalwater in zee; 2) de uitwisseling van informatie en/of deskundigheid tussen de EU-lidstaten om verontreiniging door schepen doeltreffend op te sporen, te verifiëren en te bestraffen, verloopt onregelmatig en is over het algemeen ontoereikend; 3) het afschrikkend effect van de sancties die momenteel in de EU worden toegepast voor verontreiniging vanaf schepen, is onevenwichtig; 4) de huidige rapportage door de lidstaten is onvolledig en leidt tot een gebrek aan gedetailleerde informatie over verontreiniging vanaf schepen en de sancties die in de loop van de tijd in de EU zijn opgelegd.

Overtreders die illegaal verontreinigende stoffen lozen, worden niet altijd geïdentificeerd en zelden bestraft. Daarom is een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG opgesteld. De specifieke doelstellingen van de herziening zijn: 1) internationale normen in het EU-recht opnemen door de richtlijn in overeenstemming te brengen met de Marpol-bijlagen inzake lozingen in zee; 2) de lidstaten ondersteunen door hun capaciteit op te bouwen om verontreinigingsincidenten tijdig en op geharmoniseerde wijze op te sporen en te verifiëren, bewijsmateriaal te verzamelen en overtreders doeltreffend te bestraffen; 3) waarborgen dat natuurlijke personen en rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor illegale lozingen vanaf schepen op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze worden bestraft; 4) zorgen voor een vereenvoudigde en doeltreffende rapportage van verontreiniging vanaf schepen en voor follow-up.

• Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Er is een nauw verband met Richtlijn (EU) 2019/883 6 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen. Die introduceerde strengere regels voor en betere monitoring van de afvalafgifte van schepen in havens. Dat leidde tot een betere capaciteit om afval van schepen te ontvangen in havens, waardoor minder afval op zee wordt geloosd. Sommige schepen besluiten echter nog altijd om afval illegaal in zee te lozen om niet voor havenontvangstvoorzieningen te hoeven betalen, vooral omdat Richtlijn 2005/35/EG inzake illegale lozingen niet dezelfde stoffen dekt en ze dus op grond van die richtlijn niet kunnen worden bestraft. De medewetgevers hebben bij de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/883 opgeroepen tot een herziening van Richtlijn 2005/35/EG om het toepassingsgebied daarvan af te stemmen op Richtlijn (EU) 2019/883 en de sancties evenredig te maken. Schepen moeten met name worden ontmoedigd om de EU-wetgeving te overtreden door een sterk systeem van evenredige en doeltreffende sancties, in combinatie met oplossingen om afval in te zamelen in de havens van de EU. De twee richtlijnen zorgen er gezamenlijk voor dat de EU en haar lidstaten voldoen aan hun verplichtingen met betrekking tot verontreiniging vanaf schepen uit hoofde van Marpol 73/78.

Er wordt voorgesteld het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35/EG af te stemmen op die van Richtlijn 2019/883/EG 7 om de preventie van verontreiniging van het mariene milieu in Europa te verbeteren.

Het voorstel is in overeenstemming met Richtlijn 2009/16/EG 8 betreffende havenstaatcontrole, Richtlijn 2009/18/EG 9 betreffende het onderzoek van ongevallen op zee en Richtlijn 2009/21/EG 10 betreffende vlaggenstaatverplichtingen. De drie EU-richtlijnen inzake maritieme veiligheid zijn gebaseerd op de regels en normen die de IMO op internationaal niveau heeft vastgesteld en vullen elkaar en deze richtlijn aan. De vlaggenstaatrichtlijn bevat regels voor scheepsinspecties en vloottoezicht voor de instanties van EU-vlaggenstaten die relevant zijn voor het voorkomen van verontreiniging van het mariene milieu binnen en buiten de EU. Als in het kader van de internationale verdragen strengere milieuregels van kracht worden, wordt de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat om die regels te handhaven automatisch uitgebreid. Ook de richtlijn havenstaatcontrole is hier relevant, aangezien die door middel van de vereiste inspecties de opsporing en bestraffing ondersteunt van niet-naleving van de regels en normen inzake veiligheid en de preventie van verontreiniging. Ongevallen op zee hebben niet alleen slachtoffers en economische verliezen tot gevolg, maar kunnen ook rechtstreekse gevolgen hebben voor het milieu, zoals olieverontreiniging. Vandaar het verband met de richtlijn verontreiniging.

• Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De herziene richtlijn vormt een aanvulling op Richtlijn (EU) 2023/xxxx 11 betreffende milieucriminaliteit. Bij Richtlijn (EU) 2023/xxxx worden strafrechtelijke sancties ingevoerd voor ernstige milieudelicten, waaronder illegale lozingen vanaf schepen. Omdat Richtlijn (EU) 2023/xxxx voorziet in strafrechtelijke sancties voor verontreinigingsdelicten vanaf schepen, zijn de strafrechtelijke bepalingen van Richtlijn 2005/35/EG niet langer nodig. Bijgevolg worden in dit voorstel de strafrechtelijke bepalingen van de artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2005/35/EG geschrapt. Richtlijn 2005/35/EG bevat nog altijd sectorale bepalingen inzake de desbetreffende verplichtingen en verbodsbepalingen (bv. de definitie van illegale lozingen) en voorziet in administratieve sancties voor verontreiniging vanaf schepen als de daad niet in aanmerking komt voor strafrechtelijke procedures. Om de doeltreffendheid van de nationale handhaving te waarborgen, moeten de administratieve en strafrechtelijke handhavingsregelingen worden beschouwd als onderling verbonden onderdelen van één systeem en moeten ze naast elkaar bestaan.

Richtlijn 2008/56/EG 12 betreffende het kader voor de mariene strategie is het belangrijkste rechtsinstrument van de EU voor de bescherming en instandhouding van het mariene milieu, de soorten en de habitats. Ze legt de ecosysteemgerichte benadering vast voor het beheer van menselijke activiteiten (waaronder visserij, toerisme en recreatie) die gevolgen hebben voor het mariene milieu. Richtlijn 2005/35/EG draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2008/56/EG door de invoering van afschrikkende sancties voor illegale lozingen van verontreinigende stoffen door schepen in heel Europa.

Het voorstel ondersteunt ook de definitieve voorstellen van de Conferentie over de toekomst van Europa, met name de voorstellen voor de bestrijding van verontreiniging, meer bepaald voorstel 2.7 om “verontreiniging van de oceanen te bestrijden, onder meer door [...] milieuvriendelijke scheepvaart te bevorderen met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën [...]”. De EU zet zich ook in voor de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen, waarvan doelstelling 14 (“Behoud en maak duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en maritieme hulpbronnen”) het meest relevant is voor dit voorstel.

1.

Rechtsgrondslag


, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag



In titel VI (artikelen 90-100) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het prerogatief van de EU vastgelegd om bepalingen vast te stellen voor het gemeenschappelijk vervoersbeleid, wat de EU het recht geeft op te treden tegen verontreiniging vanaf schepen. Overeenkomstig artikel 100, lid 2, VWEU kan de EU-wetgever passende bepalingen voor het zeevervoer vaststellen. Artikel 91, lid 1, punt a), VWEU bepaalt dat de EU op het gebied van vervoer bevoegd is om gemeenschappelijke regels vast te stellen die van toepassing zijn op internationaal vervoer. In het licht daarvan zou de herziene richtlijn gebaseerd zijn op artikel 100, lid 2, VWEU.

Subsidiariteit



Verontreiniging vanaf schepen veroorzaakt doorgaans schade met grensoverschrijdende gevolgen. Gezien de frequente grensoverschrijdende gevolgen van mariene verontreiniging en het feit dat daders over de grenzen heen handelen, zouden individuele maatregelen van de lidstaten niet volstaan om het probleem aan te pakken. De verschillende nationale benaderingen belemmeren een efficiënte samenwerking tussen de lidstaten, waardoor overtreders hun straf kunnen ontlopen.

Omdat alle lidstaten Marpol 73/78 hebben geratificeerd, hadden ze op eigen houtje internationale normen voor de preventie van verontreiniging door schepen kunnen opnemen. De richtlijn zet de internationale regels echter om en vult die aan door 1) de lidstaten te helpen bij het identificeren van overtreders door het verstrekken van satellietbewakingsinformatie over mogelijke olielekkages en 2) te voorzien in een aansprakelijkheidsregeling die de bestraffing van vervuilers vergemakkelijkt. Dit voorstel heeft als toegevoegde waarde dat het internationale kader wordt aangevuld met de aansprakelijkheidsregeling (door de bestaande regeling te verduidelijken) en met betere informatie voor de lidstaten (dankzij een beter toezicht op meer soorten verontreinigende stoffen en informatie-uitwisseling op basis van digitale EU-instrumenten). De herziening heeft ook tot doel nieuwe sanctiebepalingen in te voeren zonder afbreuk te doen aan Richtlijn (EU) 2023/XXX. Die doelstellingen kunnen niet door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt. Er is behoefte aan een geharmoniseerd rechtskader en aan gemeenschappelijke digitale instrumenten. Zo biedt de satellietbewaking van CleanSeaNet een goede waarde vanwege de schaalvoordelen. Maatregelen op EU-niveau zouden doeltreffender zijn dan maatregelen op nationaal niveau omdat ze een sterker afschrikkend effect hebben op daders die grensoverschrijdend werken.

Evenredigheid



Het voorstel is opgesteld in het licht van de recentste ontwikkelingen op internationaal niveau en de resultaten van de ex-postevaluatie. De Commissie heeft ook een effectbeoordeling uitgevoerd om alternatieve maatregelen voor het bereiken van dezelfde doelstellingen vast te stellen en te beoordelen.

De voorgestelde uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn tot alle bijlagen van Marpol 73/78 (d.w.z. alle stoffen die onder Marpol 73/78 vallen en illegaal door schepen in zee worden geloosd) heeft tot doel verontreiniging van het mariene milieu beter te voorkomen en de richtlijn in overeenstemming te brengen met het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2019/883. De handhaving van Richtlijn (EU) 2019/883 is, samen met Richtlijn 2005/35/EG, een essentieel onderdeel van de maatregelen om verontreiniging vanaf schepen te voorkomen. Daarnaast richt het voorstel zich op technische ondersteuning van de lidstaten door middel van opleidingsplatforms, richtsnoeren, uitwisseling van beste praktijken en bevordering van het gebruik van digitale EU-instrumenten voor het verzamelen en uitwisselen van informatie. Het voorstel bevat geen strikte regelgeving voor de hoogte van de sancties of een dwingende verificatiedoelstelling voor de lidstaten. Het probleem wordt op evenredige wijze aangepakt door een centrale, kosteneffectieve dienst betere informatie over mogelijke lozingen te laten verstrekken en door informatie uit te wisselen om de verificatie doelgerichter te maken, teneinde niet verder te gaan dan wat nodig is om de specifieke doelstellingen te verwezenlijken. Het voorstel is ook gebaseerd op de verduidelijking van de bestaande aansprakelijkheidsregeling en op gedetailleerdere bepalingen over de vaststelling van de hoogte en de aard van de sancties om vervuilers naar behoren te kunnen straffen voor het lozen van meer soorten verontreinigende stoffen. Er worden geen gedetailleerde bepalingen voorgesteld als de doelstellingen beter kunnen worden bereikt door maatregelen op andere beleidsterreinen.

Keuze van het instrument



Aangezien de wijzigingen alleen betrekking hebben op Richtlijn 2005/35/EG, is een wijzigingsrichtlijn het geschiktste rechtsinstrument.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

• Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

De richtlijn werd onderworpen aan een “back-to-back” ex-postevaluatie, d.w.z. dat tegelijk met de evaluatie en de effectbeoordeling werd begonnen. De voor de evaluatie beschikbare gegevens waren niet robuust genoeg om voor alle lidstaten een volledige ex-postevaluatie uit te voeren. Er waren geen representatieve gegevens beschikbaar om de relevante indicatoren te meten, bv. het percentage vastgestelde verontreinigingsincidenten met stoffen uit bijlage I en II van Marpol 73/78 waarvoor sancties gelden. Ondanks die beperkingen zorgt de evaluatie voor een momentopname van de bestaande informatie over de uitvoering van de richtlijn.

In de evaluatie werd geconcludeerd dat de doelstellingen van de richtlijn niet volledig zijn verwezenlijkt en dat het toepassingsgebied op het vlak van verontreinigende stoffen te beperkt is. De richtlijn voorziet in een gemeenschappelijk rechtskader tegen verontreiniging vanaf schepen in de EU, maar de doeltreffendheid was beperkt. De regels van Marpol 73/78 werden geïntegreerd in het EU-recht en de wetgeving van de lidstaten werd op elkaar afgestemd, maar er ontbreken gegevens over de rol die de richtlijn in de praktijk heeft gespeeld. De richtlijn heeft geleid tot een succesvol satellietbewakingsinstrument voor de monitoring van olieverontreiniging: CleanSeaNet. Dat lost het probleem van de identificatie van vervuilers echter niet helemaal op, omdat de nauwkeurigheid van het satelliettoezicht tot dusver beperkt is. Sommige verificatieaspecten hadden doeltreffender kunnen worden beheerd. Zo werden veel lekkages niet ter plaatse gecontroleerd en hadden de lidstaten meer gegevens in CleanSeaNet kunnen invoeren. Wat de vervolging van daders betreft, heeft de richtlijn de verwachtingen niet volledig ingelost. In de evaluatie werd ook geconcludeerd dat er behoefte is aan meer duidelijkheid over de aansprakelijkheidsregeling en meer details over de hoogte en de aard van de sancties. De belangrijkste conclusie van de evaluatie was echter dat het toepassingsgebied van de richtlijn moet worden uitgebreid tot lozingen in zee van alle verontreinigende stoffen die onder Marpol 73/78 vallen.

• Raadplegingen van belanghebbenden

De belangrijkste activiteiten voor de ex-postevaluatie en de effectbeoordeling waren:

- een door de Commissie georganiseerde openbare raadpleging van 9 december 2021 tot 3 maart 2022. Daarin werden vragen gesteld over zowel de effectbeoordeling als de evaluatie. Slechts 30 belanghebbenden hebben daarop geantwoord;

- twee gerichte enquêtes onder belanghebbenden, georganiseerd door de consultant die belast was met de externe ondersteunende studie, om specifieke informatie te verzamelen, één voor de evaluatie en één voor de effectbeoordeling, respectievelijk van december 2021 tot februari 2022 en van juni tot juli 2022;

- drie gespreksronden met vertegenwoordigers op EU-niveau van de voornaamste belanghebbenden, met tussenpozen georganiseerd van november 2021 tot september 2022 door de consultant die verantwoordelijk was voor de externe ondersteunende studie, met specifieke informatieverzoeken ter ondersteuning van de evaluatie en om de algemene probleemomschrijving en mogelijke beleidsopties te verfijnen;

- door de Commissie georganiseerde aanvullende gerichte raadplegingen van de lidstaten en de voornaamste belanghebbenden over mogelijke beleidsmaatregelen en de resultaten van de effectbeoordeling. Die vonden plaats tijdens een vergadering van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen van de EU (2 juni 2022), vergaderingen van het Europees Forum voor duurzame scheepvaart (18 mei 2022 en 18 januari 2023) en de subgroep scheepsafval (22 maart 2022, 4 juni 2022 en 14 februari 2023), de directeuren voor het zeevervoer van de EU en de EER (3 oktober 2022) en het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (25 april 2022). Op 22 september 2022 werd een laatste workshop voor de lidstaten, ngo’s en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven georganiseerd om de conclusies van de ondersteunende studie te valideren.

De bij belanghebbenden verzamelde informatie was voor de Commissie cruciaal om de beleidsopties te verfijnen en de economische, sociale en milieueffecten te beoordelen, de opties te vergelijken en de voorkeursoptie te selecteren. De resultaten van die processen vormden een aanvulling op de deskresearch in het kader van de externe ondersteunende studie.

• Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Deze evaluatie is in de eerste plaats gebaseerd op de gegevens die tijdens de ex-postevaluatie zijn verzameld. De Commissie heeft uitgebreid technisch advies verzameld in verschillende studies van deskundigen, waaronder een uitgebreide voorbereidende studie voor de herziening van de richtlijn. De autoriteiten van de lidstaten en betrokkenen uit de sector en het maatschappelijk middenveld werd verzocht input te leveren voor de voorbereiding van de studie.

Voor dit voorstel was ook input nodig van deskundigen van de Commissie en het EMSA over de concrete formulering van technische definities en juridische formuleringen.

Effectbeoordeling



Het wetgevingsvoorstel is gebaseerd op een effectbeoordeling. Drie beleidsopties, met verschillende beleidsmaatregelen, werden onderzocht op hun doeltreffendheid voor het bereiken van de doelstellingen en op hun ecologische, economische en sociale gevolgen. Voor elke specifieke doelstelling werd een reeks maatregelen vastgesteld. De maatregelen, die elkaar aanvullen en niet uitsluiten, werden in drie beleidsopties gegroepeerd. In alle drie de opties werd het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35/EG afgestemd op de bijlagen van Marpol 73/78.

- Optie A laat de lidstaten de meeste vrijheid bij de uitvoering van Marpol 73/78, maar de ondersteuning door de EU blijft voldoende hoog (opleiding, begeleiding, digitale instrumenten en toegang tot informatie over mogelijke lekkages). De lidstaten zijn verantwoordelijk voor publieksvoorlichting via nationale websites. Deze optie is gebaseerd op een nationale aanpak voor het bepalen van het soort sanctie, maar regelt de hoogte van de sanctie niet. Kortom, de lidstaten kunnen meer aanpassingen doen en de tussenkomst van de EU is minimaal.

- Optie B (de voorkeursoptie) is gericht op meer samenwerking tussen de lidstaten, voornamelijk door de EU-steun te versterken (opleiding, begeleiding, digitale instrumenten en toegang tot informatie over mogelijke lekkages). Er zijn criteria opgenomen voor het bepalen van de hoogte van de sancties. Naar verwachting zal worden voorzien in een structuur voor samenwerking tussen de lidstaten. De handhaving door de lidstaten zal worden versterkt door technische ondersteuning van het EMSA, zonder ingrijpende nieuwe regelgevende maatregelen en kosten voor de lidstaten.

- Optie C is gericht op sterkere regelgeving van de EU om de samenwerking tussen de lidstaten te completeren. De lidstaten moeten ten minste 60 % van hun CleanSeaNet-waarschuwingen verifiëren, wat waarschijnlijk hogere handhavingskosten met zich mee zal brengen. Wat straffen betreft, wordt de harmonisatie in de hele EU versterkt door de hoogte van de sancties vast te stellen. Anderzijds biedt deze optie dezelfde structuur voor samenwerking tussen de lidstaten als de twee andere (opleiding, begeleiding, digitale instrumenten en toegang tot informatie over mogelijke lekkages).

In dit voorstel wordt voor beleidsoptie B gekozen, omdat ze als meest efficiënt en evenredig werd beoordeeld. Er zijn echter ernstige lacunes in de gegevens, en er is weinig input van belanghebbenden en grote onzekerheid over de gevolgen, met name de geraamde milieuvoordelen van de drie opties. Opties B en C zijn efficiënter dan optie A, met name dankzij de voordelen van geharmoniseerde EU-oplossingen ten opzichte van uiteenlopende nationale benaderingen.

Op 27 maart 2023 heeft de Raad voor regelgevingstoetsing ten aanzien van het effectbeoordelingsverslag een positief advies met voorbehoud uitgebracht. In bijlage I bij de effectbeoordeling wordt uitgelegd hoe de opmerkingen van de raad in het verslag aan bod zijn gekomen.

In de effectbeoordeling werd gewezen op de beperkingen van de beoordeling, die het gevolg waren van de schaarse gegevens. De Commissie achtte het daarom passend een extra maatregel voor te stellen die een homogenere verzameling van gegevens zou vergemakkelijken en meer zichtbaarheid zou geven aan de doeltreffende monitoring door de lidstaten en het daarmee samenhangende percentage van feitelijke verontreinigingsincidenten. De voorgestelde maatregel zal een aanvulling vormen op de maatregelen in voorkeursoptie B en een betere monitoring bevorderen door elke lidstaat te verplichten jaarlijks ten minste 10 % van de door CleanSeaNet verzonden waarschuwingen te controleren. Dat heeft maar een klein effect op de kosten (0,5 tot 0,8 miljoen EUR per jaar) omdat de meeste lidstaten die drempel reeds hebben gehaald, terwijl de Commissie van mening is dat het een doeltreffender toezicht op de richtlijn zal stimuleren en zal bijdragen tot de uitvoering door alle lidstaten. Door de extra maatregel worden de rangschikking van de beleidsopties en de keuze van de voorkeursoptie niet ingrijpend gewijzigd.

• Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Het voorstel heeft vooral tot doel de efficiëntie van de bestaande maatregelen te verhogen. Het betreft een richtlijn uit 2005 die voortdurend evolueert en in 2009 is gewijzigd naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen, waaronder rechterlijke uitspraken, internationale verplichtingen in het kader van Marpol 73/78 en technologische veranderingen. In de herziene richtlijn zullen enkele verduidelijkingen en vereenvoudigingen worden opgenomen. Het gaat om de verduidelijking van de bestaande aansprakelijkheidsregeling en de vereenvoudiging van de rapportageverplichtingen, met aandacht voor digitale oplossingen.

Het voorstel zal waarschijnlijk niet leiden tot extra administratieve of aanpassingskosten voor de particuliere sector of de overheid. Er kunnen meer sancties worden verwacht voor schepen die niet aan de eisen van Marpol 73/78 voldoen. Positief is dat het gelijke speelveld scheepsexploitanten die de voorschriften naleven, ten goede moet komen. Bovendien zullen bedrijven maar ook het grote publiek baat hebben bij minder verontreiniging vanaf schepen.

Het voorstel bevat geen voorschriften voor scheepsexploitanten en zal waarschijnlijk geen gevolgen hebben voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). Het schept geen nieuwe verplichtingen voor bedrijven en heeft geen gevolgen voor hun kosten. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn tot de stoffen in Marpol 73/78 kan van belang zijn voor plezier- en vissersvaartuigen, segmenten waarin veel kmo’s aan het werk zijn. Het feit dat deze uitbreiding gericht is op de handhaving van internationale normen betekent echter dat de scheepvaartsector hoe dan ook aan die normen moet voldoen en dat geen extra kosten worden verwacht voor kmo’s die de voorschriften naleven. Het initiatief wordt daarom niet relevant voor kmo’s geacht.

• Grondrechten

In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een instrument van het primaire EU-recht, zijn de grondrechten van alle mensen in de hele EU vastgelegd. Naar verwachting zal het voorstel in het algemeen de grondrechten en individuele vrijheden beter beschermen, met name wat betreft justitie, eerlijke processen, non-discriminatie, gelijke behandeling van daders, het legaliteitsbeginsel en het recht op evenredige en doeltreffende sancties. De uitzondering op de aansprakelijkheid van bemanningsleden, kapiteins en eigenaars wordt in het voorstel verder verduidelijkt. Hun bescherming wordt versterkt door een meer geïntegreerde harmonisatie van de internationale regels met de nationale wetgeving en een betere naleving van de beginselen van de rechtsstaat en het recht op een eerlijk proces. Het voorstel waarborgt voorts het gelijkheidsbeginsel en draagt bij tot non-discriminatie en gelijke behandeling van zeevarenden. De maatregelen voor een duidelijkere afbakening van inbreuken die onder de strafrechtelijke of de administratieve procedure vallen, zullen ook de gelijke behandeling van daders in de hele EU bevorderen. Het initiatief zal tot een betere eerbiediging van het recht op toegang tot de rechter leiden door een betere definitie van inbreuken waarop een administratieve of strafrechtelijke procedure van toepassing is. Het voorstel waarborgt ook de bescherming van persoonsgegevens.

2.

Gevolgen voor de begroting



De lopende nettokosten van het voorstel bedragen 125,8 à 134,7 miljoen EUR voor de periode 2025-2050. De gevolgen van het voorstel voor de begroting worden nader beschreven in het financieel memorandum dat als bijlage bij dit voorstel is gevoegd. De gevolgen van het voorstel voor de begroting zijn reeds opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1406/2002.

Het overzicht van de budgettaire gevolgen na het huidig MFK is indicatief en heeft geen invloed op het toekomstig akkoord over het MFK.


5. OVERIGE ELEMENTEN

• Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het welslagen van de richtlijn zou betekenen dat de rechtspersoon of natuurlijke persoon die de verontreiniging van de zee veroorzaakt, voldoende wordt gestraft om een afschrikkend effect te sorteren en verontreiniging in de toekomst te voorkomen. Sancties voor verontreiniging vanaf schepen kunnen worden gezien als de laatste verdedigingslinie in de preventie van verontreiniging en de bescherming van het mariene milieu en de gezondheid van de mens. De eerste verdedigingslinie voor maritieme veiligheid en verontreinigingspreventie bestaat uit de vlaggenstaatcontrole en de tweede uit de wetgeving betreffende havenstaatcontrole. De zee kan echter nog altijd verontreinigd worden door scheepsongevallen en (opzettelijke) operationele lozingen.

De Commissie zal toezicht houden op de uitvoering en de doeltreffendheid van dit initiatief aan de hand van een aantal acties en een reeks kernindicatoren die de vooruitgang bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen meten. In de effectbeoordeling zijn adequate regelingen voor monitoring en rapportage vastgesteld. Het EMSA zal daarin een belangrijke rol spelen, omdat het Agentschap belast is met bezoeken aan de lidstaten en de ontwikkeling en exploitatie van digitale instrumenten voor het zeevervoer, zoals de geïntegreerde maritieme diensten en CleanSeaNet.

De uitvoering kan worden gecontroleerd door te monitoren of de lidstaten tijdig en doeltreffend feedback geven over de controle van CleanSeaNet-waarschuwingen en of informatie over het verzamelen van bewijsmateriaal en administratieve procedures regelmatig in het rapportage-instrument wordt ingevoerd. De Commissie zal met de steun van het EMSA een publieke website ontwikkelen met kernindicatoren voor het uitvoeringspercentage en de belangrijkste niet-vertrouwelijke informatie over illegale lozingen. De website zal regelmatig worden bijgewerkt met gegevens uit het rapportage-instrument om het publiek op de hoogte te houden van de uitvoering en de opgelegde sancties. In het kader van zijn ondersteunende rol aan de Commissie zal het EMSA cyclische bezoeken aan de lidstaten brengen om de activiteiten ter plaatse te controleren 13 . Daarnaast zal het EMSA op verzoek horizontale analyses maken en technische bijstand verlenen, en verslag uitbrengen aan de Commissie en de lidstaten.

De effecten van de richtlijn moeten uiterlijk vijf jaar na de omzettingsdatum van de wetgeving worden geëvalueerd. Verwacht wordt dat er robuustere en representatievere gegevens beschikbaar zullen zijn om een volledige evaluatie voor alle lidstaten voor te bereiden. In dat verband zou een deskundigenonderzoek nodig zijn om de vooruitgang op het gebied van strafniveaus te ramen. Bij de evaluatie moet ook worden gekeken naar de beschikbare gegevens over milieuvoordelen en de mogelijkheid om het toepassingsgebied uit te breiden tot nieuwe ontwikkelingen in Marpol 73/78 en tot luchtverontreiniging. Daarna zal de Commissie de uitvoering van de richtlijn regelmatig analyseren overeenkomstig de vijfjarige cyclus van EMSA-bezoeken aan de lidstaten.

• Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Er zijn geen toelichtende stukken nodig omdat het voorstel tot doel heeft de bestaande regeling te vereenvoudigen en te verduidelijken.

Artikelsgewijze toelichting

Titel van de richtlijn

In de titel wordt het onderwerp van de richtlijn nauwkeuriger omschreven door het element “handhaving van internationale normen” toe te voegen. Die wijziging is bedoeld om te verduidelijken dat het onderwerp van de richtlijn niet de invoering van nieuwe materiële normen voor verontreiniging vanaf schepen is, maar de omzetting en de handhaving van reeds vastgestelde internationale normen. Het element “strafrechtelijke sancties” in de huidige titel wordt geschrapt omwille van de juridische samenhang met Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit.

Artikel 1 - Doelstelling

De algemene doelstelling van de richtlijn wordt gewijzigd om te specificeren dat met “adequate sancties” in deze richtlijn afschrikkende, doeltreffende en evenredige sancties bedoeld worden. Het gaat om administratieve sancties. Het element “strafrechtelijke sancties” in de huidige richtlijn wordt geschrapt omwille van de juridische samenhang met Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit.

Artikel 2 - Definities

In artikel 2, lid 2, worden definities bijgewerkt die problematisch zijn of verwijzen naar het achterhaalde toepassingsgebied van de richtlijn, en wordt één nieuwe definitie ingevoegd. Ten eerste is de definitie van “verontreinigende stoffen” in lid 2 aangepast aan het uitgebreide toepassingsgebied van de richtlijn, dat de bijlagen I tot en met VI van Marpol 73/78 omvat. In punt 2 bis wordt de nieuwe definitie “residu van het systeem voor de reiniging van uitlaatgassen” ingevoegd, d.w.z. lozingen van gaswassers in zee, als stof die onder het uitgebreide toepassingsgebied van de richtlijn valt met betrekking tot bijlage VI bij Marpol 73/78, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren. In punt 5 bis wordt de internationaal overeengekomen definitie van “maatschappij” in de richtlijn opgenomen, overeenkomstig de Internationale Veiligheidsmanagementcode voor het veilige gebruik van schepen en voor verontreinigingspreventie (ISM-code) 14 , die in Unierecht is omgezet bij Verordening (EG) nr. 336/2006 15 .

Artikel 4 - Verbod op lozingen

Artikel 4 bevat de algemene verbodsbepalingen die onder deze richtlijn vallen. Een illegale lozing kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon worden toegeschreven en de nationale uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn moeten voorzien in het ter verantwoording roepen van die personen. Sommige van de verbodsbepalingen van de huidige richtlijn (de stoffen in de bijlagen I en II bij Marpol 73/78) zijn geactualiseerde versies van de bestaande, maar sommige zijn nieuw (stoffen in de bijlagen III tot en met VI bij Marpol 73/78). Het begrip “minder ernstige gevallen” wordt geschrapt omdat uit de ex-postevaluatie is gebleken dat die term problematisch is en door de lidstaten op verschillende wijze wordt geïnterpreteerd. Bovendien was de term alleen relevant voor de toepassing van strafrechtelijke sancties, die nu buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.

Artikel 5 - Uitzonderingen

Artikel 5 van het voorstel bevat uitzonderingen op de verbodsbepalingen van artikel 4 voor het geval in zee wordt geloosd nadat een schip of zijn uitrusting beschadigd is. Het artikel geldt alleen als aan de voorwaarde is voldaan dat het schip/de uitrusting beschadigd is. De bepaling is gewijzigd om de bestaande aansprakelijkheidsregeling in het kader van Marpol 73/78 te verduidelijken door de verklaring van de toepasselijke regels, zonder die te wijzigen ten opzichte van Richtlijn 2005/35/EG. Het in Marpol 73/78 gebruikte begrip “eigenaar” wordt verduidelijkt door in plaats daarvan het begrip “maatschappij” te gebruiken, omdat het voor de verschillende entiteiten kan staan die een schip beheren. Deze uitzondering is derhalve van toepassing op elke maatschappij die de exploitatie van het schip op zich heeft genomen, in overeenstemming met de ISM-code. De bepaling is van toepassing op de uitgebreide werkingssfeer van de richtlijn. Uitzonderingen voor misdrijven (artikel 5 bis) en de nadere bijzonderheden daarvan (artikel 5 ter) zijn geschrapt omwille van de juridische samenhang met Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit. De drempels voor strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verontreinigingsmisdrijven vanaf schepen die bij Richtlijn 2009/123/EG zijn ingevoerd, worden geschrapt omdat die drempels nu aan de orde komen in Richtlijn (EU) 2023/xxxx.

Artikel 6 - Handhaving ten aanzien van schepen in een haven van een lidstaat

De bepaling verandert niet ten opzichte van de huidige. Om de lidstaten te helpen hun verplichtingen uit hoofde van artikel 6 na te komen, wordt een nieuwe bijlage bij de richtlijn gevoegd waarin wordt verwezen naar een indicatieve lijst van onregelmatigheden of gegevens die aanleiding kunnen geven tot het vermoeden dat een illegale lozing heeft plaatsgevonden, wat op zijn beurt de havenstaat verplicht om het incident te controleren.

Artikel 8 - Sancties

Het artikel wordt gewijzigd vanwege de implicaties van Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit. De herziening van Richtlijn 2005/35/EG heeft alleen betrekking op administratieve sancties, terwijl Richtlijn (EU) 2023/xxxx betrekking heeft op strafrechtelijke sancties voor verontreiniging vanaf schepen. Het artikel specificeert de beginselen die van toepassing moeten zijn op de invoering van sancties in de nationale wettelijke bepalingen tot omzetting van de richtlijn, namelijk dat ze doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Het in de nationale rechtsorde ingevoerde stelsel van administratieve sancties mag geen afbreuk doen aan Richtlijn (EU) 2023/xxxx en de daarin vastgestelde sancties 16 . Artikel 8 krijgt een nieuw lid waarin het soort sancties wordt gespecificeerd dat ten minste in de nationale rechtsorde moet worden opgenomen, waaronder boetes die worden opgelegd aan de maatschappij van het schip, waarbij de voor de scheepvaart geldende internationale regel wordt erkend dat het operationele en/of technische beheer van het schip door de geregistreerde eigenaar kan worden gedelegeerd aan een andere maatschappij. In dergelijke gevallen zou de maatschappij verantwoordelijk worden gesteld voor het illegaal lozen van verontreinigende stoffen in zee in plaats van ze af te leveren in havenontvangstvoorzieningen, tenzij ze aantoont dat een andere persoon, namelijk de kapitein of een bemanningslid dat niet onder de verantwoordelijkheid van de kapitein handelde, verantwoordelijk was voor de lozing. In een nieuw lid van artikel 8 wordt verduidelijkt dat indien wordt aangetoond dat een andere persoon dan de maatschappij verantwoordelijk was voor de inbreuk, sancties moeten worden opgelegd overeenkomstig Richtlijn 2005/35/EG. Strafrechtelijke sancties tegen natuurlijke personen (artikel 8 bis), aansprakelijkheid voor strafbare feiten (artikel 8 ter) en strafrechtelijke sancties tegen rechtspersonen (artikel 8 quater) zijn geschrapt om redenen van juridische samenhang met Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit.

Artikel 8 quinquies - Effectieve toepassing van sancties (nieuw)

Dit is een nieuw artikel dat tot doel heeft het sanctiesysteem van de richtlijn in de hele Unie consequent toe te passen en de opgelegde sancties op elkaar af te stemmen. De nationale rechterlijke en administratieve autoriteiten moeten bij het bepalen van de hoogte van de aan de vervuiler op te leggen sancties rekening houden met alle relevante omstandigheden. Rekening houdend met de diversiteit van de onder deze richtlijn vallende verontreinigende stoffen en, gezien de grensoverschrijdende aard van verontreiniging vanaf schepen, met het belang van een consistente toepassing van sancties in de hele Unie, zal de verdere doeltreffendheid van de sanctieniveaus worden bepaald in een uitvoeringshandeling door de vaststelling van concrete criteria voor sancties voor de lozing van verschillende verontreinigende stoffen in zee. Een dergelijk aanvullend criterium kan bijvoorbeeld het geografisch gebied zijn waar een specifieke verontreinigende stof is geloosd, afhankelijk van de gevoeligheid van het gebied voor de chemische bestanddelen in de verontreinigende stof, bijvoorbeeld illegale lozingen van bak- en braadolie in de Oostzee.

Artikel 10 - Uitwisseling van informatie en ervaringen

Het onderliggende beginsel van de bepaling – de Commissie helpt de lidstaten bij hun handhavingsactiviteiten, met steun van het EMSA – is niet gewijzigd. De titel van het artikel is gewijzigd om aan te geven dat de in dit artikel beschreven maatregelen betrekking hebben op de uitwisseling van de nodige informatie en ervaringen voor de doeltreffende uitvoering van de richtlijn en de samenwerking tussen de betrokken partijen.

Om de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten te verbeteren, zijn bepalingen toegevoegd over het versterken van de bestaande digitale instrumenten die ter beschikking van de lidstaten staan, met name CleanSeaNet, en over het verbeteren van de automatische koppelingen tussen de bestaande databanken en systemen voor informatie-uitwisseling over maritieme veiligheid, waaronder THETIS, THETIS-EU en SafeSeaNet, teneinde nauwkeurige informatie tijdig in een gebruiksvriendelijk formaat in de geïntegreerde maritieme diensten in te voeren en een doelgerichtere aanpak door de lidstaten mogelijk te maken. Om een doeltreffend toezicht op de uitvoering van de richtlijn door alle lidstaten te waarborgen, moet elke lidstaat jaarlijks ook 10 % van de door CleanSeaNet verzonden waarschuwingen controleren. Om de administratieve lasten van handhavingsactiviteiten tot een minimum te beperken, moeten de nationale autoriteiten in de hele handhavingsketen gemakkelijker toegang tot dergelijke informatie krijgen, evenals autoriteiten van andere lidstaten die belang hebben bij dergelijke informatie. De Commissie zal zorgen voor fora voor de uitwisseling van ervaringen tussen de autoriteiten van de lidstaten en deskundigen. Daartoe worden vergaderingen voorgesteld van deskundigen die gemeenschappelijke praktijken en richtsnoeren vaststellen, bijvoorbeeld door de oprichting van een speciale deskundigengroep. De bepalingen over de taken van het EMSA zijn uit het artikel geschrapt, omdat die taken in een afzonderlijk rechtsinstrument zijn vastgelegd.

Artikel 10 bis – Rapportage (nieuw)

De rapportageverplichtingen van de lidstaten zijn vervangen door een gedetailleerder systeem van rapportage over de uitvoering van de richtlijn aan de Commissie. Er moet nu worden gerapporteerd zodra de desbetreffende activiteiten zijn afgerond, via een specifiek elektronisch rapportage-instrument dat door het EMSA wordt ontwikkeld en onderhouden. Deze regeling zorgt voor een concreet en doeltreffender rapportagesysteem door te vermijden dat er een tijdsverschil ontstaat tussen de datum van de verontreiniging of de administratieve procedure en de feitelijke datum van de melding. Het artikel verplicht de lidstaten gegevens te rapporteren over i) inspecties, ii) controleactiviteiten en iii) opgelegde sancties. De lidstaten zijn ook verplicht om in CleanSeaNet de controleactiviteit te registreren die wordt uitgevoerd nadat een waarschuwing van CleanSeaNet naar de lidstaat is verzonden, of de redenen te vermelden waarom aan een dergelijke waarschuwing geen gevolg werd gegeven. In een uitvoeringshandeling moeten nadere regels voor de rapportageprocedure worden vastgesteld, waaronder de specificatie van het soort informatie dat moet worden gerapporteerd. Via die acties zal de Commissie met de steun van het EMSA toezicht houden op de uitvoering en de doeltreffendheid van de richtlijn en zal zij de indicatoren kunnen beoordelen waarmee de vooruitgang van de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn wordt gemeten.

Artikel 10 ter – Opleiding (nieuw)

Deze bepaling heeft tot doel de lidstaten bij te staan bij de opleiding van de betrokken autoriteiten in de hele handhavingsketen, zodat alle partijen over de nodige gespecialiseerde vaardigheden en capaciteiten beschikken om hun rol doeltreffend te vervullen. De bepaling dat de Commissie met de technische steun van het EMSA opleiding zal verstrekken aan de EU-lidstaten zodat die hun verantwoordelijkheden uit hoofde van de richtlijn beter kunnen vervullen, zijn gezien het verruimde toepassingsgebied en de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van regelgeving binnen de IMO relevant voor de uitvoering van deze richtlijn. Het EMSA zal regelmatig workshops geven over i) nieuwe technologische ontwikkelingen, waaronder nieuwe digitale instrumenten, met betrekking tot de uitvoering van de richtlijn, en ii) beste praktijken van de lidstaten en hun methoden voor het verzamelen en controleren van bewijsmateriaal over illegale lozingen.

Artikel 10 quater – Bekendmaking van informatie (nieuw)

Dit is een nieuw artikel. De Commissie zal ervoor zorgen dat belangrijke, niet-vertrouwelijke en actuele informatie over verontreiniging vanaf schepen online beschikbaar is. Het EMSA zal een online overzicht publiceren en regelmatig bijwerken. Zo zal algemene informatie over elk geval van verontreiniging vanaf schepen in de EU toegankelijk zijn voor het publiek. Het gaat om informatie zoals de details van een waarschuwing van CleanSeaNet, de follow-up door de betrokken lidstaat, de controle ter plaatse of de inspectie van schepen en het eindresultaat van de procedure, bijvoorbeeld de opgelegde administratieve boete, met inbegrip van de hoogte van de sanctie, de naam, de vlag en het IMO-nummer van het schip waaraan de sanctie is opgelegd en de belangrijkste feiten van de zaak. Het EMSA zal per lidstaat ook een overzicht van de uitvoering en handhaving van deze richtlijn openbaar maken door landenprofielen te verstrekken met informatie over de vooruitgang bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen, zoals het aantal vastgestelde verontreinigingsincidenten of het aantal administratieve procedures per land, alsmede een aantal kernindicatoren voor de verhoudingen. Er wordt een nieuwe bijlage bij de richtlijn gevoegd waarin wordt gewezen op het soort informatie dat beschikbaar is voor het publiek.

Artikel 10 quinquies – Bescherming van personen die mogelijke illegale lozingen melden (nieuw)

De nieuwe opzet van de digitale instrumenten van het EMSA zal een gateway bieden om de lidstaat te waarschuwen dat een schip een illegale lozing op zee heeft uitgevoerd. Klokkenluiders (d.w.z. natuurlijke personen die informatie over inbreuken melden die ze in het kader van hun professionele activiteiten hebben verkregen) zullen over een speciaal kanaal beschikken om mogelijke strafbare feiten te melden. Dit artikel wordt gelinkt aan de bescherming van klokkenluiders via Richtlijn (EU) 2019/1937 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Artikel 12 bis – Evaluatie en herziening (nieuw)

Dit is een nieuw artikel. Hierin wordt bepaald dat de Commissie de uitvoering van de richtlijn zal evalueren vijf jaar na de omzetting ervan. Er is ook een clausule toegevoegd waarin staat dat toekomstige wijzigingen van de internationale normen ter voorkoming van verontreiniging door schepen die krachtens Marpol 73/78 moet worden gecontroleerd, bij de herziening in aanmerking moeten worden genomen.

Artikel 13 – Comitéprocedure

Dit is een nieuw standaardartikel voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen.

De oude artikelen 5 bis en 5 ter, 8 bis, 8 ter en 8 quater, 11, 14 en 15 en de enige bijlage worden geschrapt.

Bovengenoemde artikelen zijn in beginsel geschrapt vanwege de implicaties van Richtlijn (EU) 2023/xxxx betreffende milieucriminaliteit en in gevallen waarin ze niet langer relevant zijn. De enige bijlage bij Richtlijn 2005/35/EG wordt geschrapt omdat ze achterhaald is.

Bijlage I (nieuw)

Dit is een nieuwe bijlage met voorbeelden van situaties waarin de handhaving moet worden geactiveerd omdat er een vermoeden bestaat dat een schip op illegale wijze verontreinigende stoffen heeft geloosd. In dat geval moet de lidstaat een inspectie in de haven uitvoeren om de omstandigheden van de illegale lozing te controleren en bewijsmateriaal te verzamelen. De bijlage bevat een indicatieve lijst van voorbeelden van onregelmatigheden en gegevens die aanleiding kunnen geven tot de verplichte controle van bijvoorbeeld de resultaten van eerdere inspecties in het kader van de havencontrole, inspecties door de politie of milieu- of andere autoriteiten en inspecties van de afvalafgifte van schepen in havenontvangstvoorzieningen, of van informatie die via de geïntegreerde maritieme diensten is uitgewisseld of ontvangen. Als uit de controle blijkt dat er sprake is van een illegale lozing, moet een passende procedure worden ingeleid.

Bijlage II (nieuw)

Dit is een nieuwe bijlage met een niet-limitatieve lijst van informatie die openbaar moet worden gemaakt over elk verontreinigingsincident en over de uitvoering van de richtlijn door elke lidstaat. Die informatie zal in een gebruiksvriendelijk formaat worden verstrekt, bijvoorbeeld in de vorm van een kaart waarop de gebruiker kan inzoomen op een bepaald geografisch gebied en kan zien hoe verontreinigingsincidenten in een bepaald jaar zijn aangepakt. De beschikbare gegevens moeten in eenvoudige taal worden verstrekt om het publiek te informeren over de follow-up van verontreinigingsincidenten door de lidstaten en over de schepen waaraan een boete is opgelegd.